Kleding, uiterlijk, gedrag

> Zijn eisen aan kleding, uiterlijk en gedrag toegestaan?
> Uitingen van godsdienst en levensovertuiging
> Eisen stellen aan het dragen van een hoofddoek
> Eisen stellen aan gedrag
> Verschillende kledingvoorschriften voor mannen en vrouwen toepassen
> Advies Commissie Gelijke Behandeling over politiekleding

Zijn eisen aan kleding, uiterlijk en gedrag toegestaan?

Door eisen te stellen aan kleding, uiterlijk en gedrag kunt u zowel direct als indirect onderscheid maken. Directe onderscheid wordt veroorzaakt door bijvoorbeeld voorschriften die het dragen van religieuze kleding verbieden. Indirect onderscheid wordt veroorzaakt door het stellen van neutrale eisen, die ertoe leiden dat een bepaalde groep wordt benadeeld. Bijvoorbeeld ‘alle hoofddeksels zijn verboden’. Deze eis benadeelt vrouwen die vanuit geloofsovertuiging een hoofddoek dragen.

Het is toegestaan om eisen te stellen aan kleding, uiterlijk en gedrag van sollicitanten. Deze eisen moeten dan wel functioneel zijn en niet leiden tot discriminatie. Dit wordt duidelijk aan de hand van oordeel 2002-122. Een Surinaamse man met kroeshaar wordt door een cateringorganisatie naar huis gestuurd vanwege zijn haardracht. Het kroeshaar is voor de man in sterke mate bepalend voor hoe hij zijn haar draagt. De Commissie heeft geoordeeld dat het hier gaat om indirect onderscheid op grond van ras. De cateringorganisatie had de jongen niet vanwege zijn haardracht naar huis mogen sturen. Wel mag de cateringorganisatie eisen dat de jongen ervoor zorgt dat zijn haar er verzorgd uitziet.

Om te beoordelen of door het stellen van eisen aan kleding, uiterlijk en gedrag verschil tussen kandidaten wordt gemaakt wordt er gekeken naar de volgende factoren:

  • de functie van de werknemer
  • is de eis noodzakelijk voor een goede uitoefening van de functie

Naar boven

Uitingen van godsdienst en levensovertuiging

Kandidaten kunnen door middel van kleding, uiterlijk en gedrag uiting geven aan hun godsdienst of levensovertuiging. Dit kan bijvoorbeeld door:

  • het dragen van een hoofddoek of keppeltje
  • het hebben van een baard
  • het hebben van een bepaalde haardracht
  • bidden tijdens werktijd
  • personen van het andere geslacht geen hand geven

Door deze uitingen te verbieden kan het zijn dat u verschil maakt tussen kandidaten op basis van kenmerken die voor de functie niet relevant zijn, ofwel discrimineert. Vooral mensen die een bepaalde godsdienst of levensovertuiging aanhangen worden hierdoor getroffen. Het verbieden van deze uitingen kan alleen als u daar een goede reden voor heeft (objectieve rechtvaardiging). Goede redenen voor dit onderscheid kunnen zijn:

  • hygiëne
  • veiligheid
  • gezondheid
  • het vaststellen van de identiteit
  • communicatie

U mag van een sollicitant niet eisen dat hij zijn baard afscheert. Maar u mag wel eisen dat de baard er verzorgd uitziet. In oordeel 2007-8 maakt een beveiligingsbedrijf geen onderscheid op grond van godsdienst door de medewerker te vragen zijn baard te knippen of te trimmen.

Naar boven

Eisen stellen aan het dragen van een hoofddoek

Het is principe niet toegestaan om een hoofddoek te verbieden. U kunt echter wel een goede reden (objectieve rechtvaardiging) hebben voor het verbod, zoals:

  • hygiëne
  • veiligheid
  • gezondheid
  • het vaststellen van de identiteit
  • communicatie

Het kan zijn toegestaan om eisen aan de hoofddoek zelf te stellen als hier een goede reden voor is (objectieve rechtvaardiging), zoals:

  • aan de manier waarop de hoofddoek geknoopt is
  • aan het model van de hoofddoek
  • aan de uitvoering van de hoofddoek

Als u bedrijfskleding gebruikt kunt u een hoofddoek in dezelfde stijl laten maken. De werkneemster is dan verplicht om deze tijdens de werkzaamheden te dragen.

In oordeel 2008-144 oordeelt de Commissie Gelijke Behandeling dat een organisatie verboden onderscheid maakt door een sollicitante af te wijzen vanwege haar hoofddoek. De organisatie hanteert een verbod op hoofddeksels, maar dat is niet noodzakelijk voor het uitoefenen van de functie. De organisatie heeft niet onderzocht en is ook niet bereid om te onderzoeken of er alternatieven zijn die tegemoet komen aan de religieuze overtuiging van de sollicitante en aan het waarborgen van de veiligheid.

Naar boven

Eisen stellen aan gedrag

Bepaalde gedragingen kunnen uitingen van godsdienst of levensovertuiging zijn. Bijvoorbeeld een sollicitant die weigert personen van het andere geslacht een hand te geven. U kunt de sollicitant dan niet zomaar op basis hiervan afwijzen. U kunt de sollicitant alleen afwijzen als u eerst nagaat:

  • of de eis die u wilt stellen voor de functie relevant is. Handen schudden is voor een medewerker aan een lopende band minder relevant dan voor een directeur die regelmatig in situaties terechtkomt waarbij handen schudden de norm is.
  • of er voor de sollicitant alternatieve vormen van begroeting mogelijk zijn om respectvol te begroeten zonder onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

De sollicitant moet wel bereid zijn om mee te werken aan een alternatieve vorm van begroeting. Anders zal een beroep op vrijheid van godsdienst niet slagen en is het toegestaan dat u hem of haar afwijst. Een voorbeeld hiervan is oordeel 2007-180. De sollicitant wilde vrouwen geen hand geven en was ook niet bereid om naar oplossingen te zoeken en met alternatieven te komen. De Commissie heeft geoordeeld dat dit een goede reden was om de sollicitant niet in dienst te nemen.

Naar boven

Verschillende kledingvoorschriften voor mannen en vrouwen toepassen

Vanwege de fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen mag u verschillende kledingvoorschriften voor hen hanteren. Let er wel op dat u door middel van de kledingvoorschriften geen verschil maakt tussen kandidaten. Een kledingvoorschrift waarin staat dat mannelijke docenten geen korte broek mogen dragen, maar vrouwelijke docenten wel is niet toegestaan. Een voorbeeld hiervan is oordeel 2007-18. In dit oordeel schrijft een inrichting verschillende dienstkledingregels voor. Vrouwen mochten een bermuda dragen, maar mannen niet. Hierdoor is direct onderscheid op grond van geslacht gemaakt en dat is verboden.

Representativiteit kan voor u een reden zijn om andere eisen te stellen aan mannen en vrouwen. Wees er wel alert op dat ook dit kan leiden tot onderscheid tussen mannen en vrouwen. Bijvoorbeeld als u mannen verbiedt om lang haar te hebben, zoals in oordeel 2006-73. In dit oordeel draagt een mannelijke sollicitant haar tot iets over zijn boord. De organisatie heeft echter als regel dat het haar van mannen niet langer mag zijn tot op de boord, terwijl vrouwen hun haar in een staart mogen dragen of opsteken. De instelling maakt daardoor direct onderscheid tussen mannen en vrouwen en dat is verboden.

Naar boven

Advies Commissie Gelijke Behandeling over politiekleding

In 2007 heeft de Commissie Gelijke Behandeling een advies (2007/08) uitgebracht over politiekleding. In dit advies staan criteria waarmee u kunt beoordelen of kledingvoorschriften in overeenstemming zijn met de gelijkebehandelingswetgeving. Het gaat om kledingvoorschriften voor alle politiefunctionarissen met functionele publiekscontacten.


Naar boven

Vragen?

Bel het juridisch spreekuur van de Commissie Gelijke Behandeling: 030 - 888 38 88 (iedere werkdag van 14.00-16.00) of mail naar info@cgb.nl